04 mei 2007

Reactie op NRC-artikel over de dans

Dag,
in bijlage een stuk dat drie auteurs hebben geschreven als alternatief voor / reactie op het stuk dat Ingrid van Frankenhuyzen heeft geschreven ter vooraankondiging van een discussiebijeenkomst over de Nederlandse dans maandag a.s. Hierover heeft Benien van Berkel vorige week contact gehad.
Wij hopen uiteraard dat jullie het interessant vinden dit te plaatsen náást Ingrid's stuk, om de tegenstelling meteen duidelijk te poneren, of in ieder geval zo spoedig mogelijk, zodat er meerdere stemmen in de pers hebben geklonken vóór de bijeenkomst plaatsvindt.

Ik hoor graag van jullie!
met vriendelijke groet,

Annemieke Keurentjes




‘Wat we nodig hebben zijn gepassioneerde dansmakers, programmeurs en recensenten. Allemaal moeten we erop gericht zijn dans als kunst, in al zijn vormen, te vieren.’ (Nicole Beutler, choreograaf)

Het is onrustig in de kunstensector in Nederland. Een nieuwe regering en Minister voor Cultuur zetten de komende vier jaar hun eigen stempel op het kunstbeleid. Maar ook heeft de overheid een proces op gang gebracht om de verhouding tussen de kunstinstellingen en de subsidieverstrekker(-s) te veranderen. De Raad voor Cultuur heeft onlangs een lijvig advies aan de regering uitgebracht. In het veranderingsproces lijken twee vragen centraal te staan: hoe bepaalt de overheid haar positie ten opzichte van de kunstinstellingen, en: wat is een verantwoorde, functionele verdeling van kunstinstellingen over het land.

Het Nederlandse dansveld heeft de uitkomsten van dit herschikkingsproces niet afgewacht en heeft in een eigen onderzoek de inhoud centraal gesteld. Wat zijn inspiratiebronnen in een veranderende omgeving, wat is de artistieke drive, hoe krijgt deze vorm? In wat voor omgeving kan een bevlogen danskunstenaar tot bloei komen? Met wie worden relaties onderhouden om deze praktijk te realiseren en openbaar te maken, en de kunstvorm verder te ontwikkelen?

Op 16 april a.s. wordt een document gepresenteerd met de titel “Dans zichtbaar beter”, dat de bevindingen van het afgelopen jaar bevat. Onderwerpen zijn bijvoorbeeld de samenwerking met andere kunstenaars, de verhouding tot de actualiteit en de communicatie met het publiek. “Dans zichtbaar beter” sluit af met een agenda voor de komende periode, want dans heeft veel te bieden maar ook nog veel te winnen. Het is een uitdaging ervoor te zorgen dat de dans een levendige plek in de samenleving heeft, die recht doet aan de eigen kracht van deze kunstdiscipline en aan de grote schaal waarop Nederland danst.

Dat klinkt allemaal weinig revolutionair. Eén en ander past echter naadloos in de ontwikkeling van de dans in Nederland.
De dans heeft onmiskenbaar aan belang gewonnen in de loop van haar relatief jonge historie in het kunstenveld. De gesubsidieerde, professionele theaterdans is in een paar decennia uitgegroeid van een tuintje met twee grote balletgezelschappen, tot een wijds landschap met tientallen gezelschappen van uiteenlopend formaat, productiekernen, onafhankelijk werkende choreografen, festivals met internationale programmering, productiehuizen en werkplaatsen. Bij haar ontwikkeling heeft de Nederlandse dans slim gebruik gemaakt van buitenlandse expertise door ze in te huren of op te zoeken (van Sonia Gaskell en Benjamin Harkarvy bij Het Nationale Ballet en het Nederlands Dans Theater tot de studiereizen van Pauline de Groot en Bianca van Dillen), of door buitenlandse kunstenaars op te nemen in het bestel (Jiri Kylian, Krisztina de Châtel, Itzik Galili). Het internationaal werken is het danskind met de paplepel ingegoten, en dat is nog steeds merkbaar in de huidige praktijk. Naast voorstellingen die door podia en festivals in het buitenland worden afgenomen gaan vele danskunstenaars vanuit Nederland de wereld over om les te geven, gastchoreografieën te maken, research te doen of aan coproducties te werken. Zo maakt Anouk van Dijk een voorstelling bij Beijing Dance Company, André Gingras bij Rambert Ballet. David Zambrano onderricht internationaal zijn flying low techniek, leden van de LISA groep en Emio Greco PC reizen over hele wereld om hun werk te maken en te presenteren. Deel uitmaken van het internationale circuit betekent niet alleen voorstellingen in het buitenland spelen, maar het zorgvuldig opbouwen en onderhouden van een netwerk, en nieuwsgierig zijn naar andere artistieke visies. Die internationale uitwisseling is een bloeiende praktijk die zich deels onttrekt aan statistieken en aan het zicht van beleidsmakers en journalisten.

Door de aanvankelijk kleine omvang van de theaterdans in Nederland heeft zich geen duidelijk breekpunt in de ontwikkeling voorgedaan. Op het moment dat in de muziek (actie Notenkraker) en in het toneel (actie Tomaat) een nieuwe generatie zich afzette tegen vastgeroeste praktijken van hun voorgangers had een klein aantal dansinstellingen zich bij wijze van spreken nog maar net een plaats veroverd in het kunstbestel. De veranderingen die in de twee andere kunstdisciplines met veel kabaal werden afgedwongen kregen in de dans ‘gewoon’ een plaats in de uitbreiding van de kunstvorm. Revolutionair élan was niet nodig voor verandering, maar voor het bereiden van de weg voor een volgende generatie. Jonge makers hebben vervolgens hun weg gezocht zonder polarisatie. De pubertijd van de Nederlandse danskunst voltrok zich zonder generatieconflict, en is benut voor groei tot een veelzijdig wezen. Die veelzijdigheid is niet schreeuwerig of extreem, zoals gelukkig ook niet de meeste mensen schreeuwerig of extreem zijn. Maakt dat de dans in Nederland saai? Verre van!

Er zijn in Nederland jaarlijks duizenden dansvoorstellingen te bezoeken. De bezoekcijfers zijn de laatste vijf jaar gestegen. Hoewel het rijksdansbudget het kleinste is van alle podiumdisciplines, is er van de calimero onder de kunsten beslist geen sprake. De verscheidenheid in stijlen is groot: zie de formele dans van het Nederlands Dans Theater, het theatrale van het Hans Hof Ensemble, de virtuele inspiratiebronnen van Andrea Bozic, de fascinatie voor het fysiek bij Emio Greco/PC, de urban culture bij ISH.
Dans is misschien ook zichtbaarder dan ooit. Er is nog maar een enkele maker in Nederland die ervoor kiest zijn werk alleen in het traditionele theater te presenteren. Het aantal voorstellingen op scholen, in stadswijken, op festivals en andere bijzondere plekken breidt zich uit. De reden daarvoor is soms heel praktisch: een gebrek aan belangstelling van de reguliere podia. De overwegingen van de makers zijn echter vooral artistiek: ‘Misschien past mijn werk wel beter in een galerie’ (Keren Levi). ‘Multi-perspectief is een constant aspect van mijn werk, en dat is boeiend als het publiek aan vier kanten om het podium zit.’ (Ton Simons) . ‘Als je het reguliere publiek wil uitbreiden, moet je dat publiek opzoeken. Het is al lang bewezen dat het ene volk niet vrijwillig bij het andere op visite gaat. Dat kan je alleen doorbreken door met nieuwe podia op de proppen te komen.’ ( Nanine Linning).

De keuzes die artistiek leiders van gezelschappen en productiehuizen, programmeurs én beleidsmakers maken zijn van verregaande invloed op de kwaliteit en veelzijdigheid van de Nederlandse dans van de nabije toekomst. Het is van belang dat er voldoende kansen geboden (blijven) worden voor een breed palet aan talent en verschillende artistieke visies. Eigentijdse ontwikkelingen op bijvoorbeeld het terrein van multimedia, danstheater, geëngageerd danswerk, culturele crossovers en street art verdienen daar ook een plek in. De dans in Nederland is volwassen geworden. Nu komt het erop aan haar vitaal te houden.

Leontien Wiering is directeur van de Nederlandse Dansdagen en adjunct-directeur voor de sector Dans van de Theaterschool Amsterdam
Simon Dove is directeur van Springdance
Annemieke Keurentjes is researcher bij het Holland Festival


.

Labels: ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

19 april 2007

Hou nou eens op met die onzin

Ingrid van Frankenhuyzen / NRC Handelsblad 13 april 2007

Dans Debat

Hou eens op met die onzin

Hoe de Nederlandse danswereld zich in slaap liet sussen
De veronderstelde toppositie van de Nederlandse dans is volgens kenners maar schijn. In werkelijkheid zijn we volledig achterop geraakt.



‘Ik zou wel met een zweep door de dans in Nederland willen gaan.” De Vlaamse dansprogrammeur Marc Goossens zegt het met een licht vermoeide zucht, en hij is de enige niet. De Vlaamse Annemie Vanackere, medeartistiek leider van de Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam, bekent dat ze zich van de Nederlandse dans heeft afgekeerd „omdat het me allemaal niet meer zo prikkelt. Er is hier niemand die de gebaande paden mijdt.” Samuel Würsten, directeur van het Holland Dance Festival en de Rotterdamse Dansacademie, formuleert het met enige tegenzin, als: „Er is niemand die hier ooit eens tegen de choreografen zegt: hou nou eens op met die onzin. Soms zit ik een uur lang naar een voorstelling te kijken en dan denk ik alleen maar: is er een dokter in de zaal?”
Buitenlandse programmeurs als Goossens of Michel Didier (Frankrijk) zijn van mening dat wat hier de laatste jaren gemaakt wordt slaapverwekkend en betekenisloos is. En ze hebben gelijk. Want hoewel Nederland massaal de mantra bezingt dat onze dans een internationale toppositie inneemt, concludeert de Raad voor Cultuur in het net verschenen Vooradvies dat de Nederlandse moderne dans ver ondervertegenwoordigd is op internationale festivals. Nederlandse dans, waarvan altijd wordt gezegd dat het zo’n goed exportproduct is, omdat het taalloos is, is in het buitenland minder te zien dan Nederlands toneel, dat wel de taalbarrière moet nemen.
Dat het niet bijster goed gaat met de dans, valt niet te ontkennen. Op veel fronten zijn er problemen. Nederlandse programmeurs vinden moderne dans te ontoegankelijk, zalen blijven leeg. Het aanbod is niet alleen veel groter dan de vraag, het is ook versnipperd en paradoxaal genoeg eenzijdig. Veel gezelschappen zijn gezichtloos geworden; choreografen hoppen van het ene naar het andere gezelschap.
Waar ging het dan allemaal mis? In elk geval niet toen vijftig jaar geleden Rudi van Dantzig en Hans van Manen aan het toneel verschenen. Ook niet toen Jiri Kylián in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Nederlands Dans Theater op de wereldkaart zette. Maar deze drie ‘grootvaders’ zijn al decennia het vertrek- en ijkpunt van de Nederlandse dans. Op hun verdienste – en die van Kyliáns erfopvolgers Paul Lightfoot en Sol Léon – drijft de mooie Hollandse reputatie nog altijd. Zij verankerden de dans als serieus te nemen te nemen discipline en met de virtuoze NDT-dansers trekken zij in binnen- en buitenland volle zalen.
Pieter Zeeman, projectmedewerker internationalisering van SICA (Stichting Inter Culturele Activiteiten) zegt erover: „In vergelijking met het buitenland is hier veel geld. Er eten nu alleen te veel mensen uit de ruif. Daardoor heeft iedereen een beetje geld en toch weinig. Dat levert verstarring op.” Creativiteit bloedt dood. Het behouden en binnenhalen van subsidie is een dagtaak geworden; artistieke urgentie en noodzakelijkheid bestaan niet meer. Op uitzonderingen als Itzik Galili, Emio Greco/PC en Krisztina de Châtel na, heeft de dans zichzelf verschanst in een gesloten inrichting, staart nog slechts naar de eigen navel en brabbelt zo verhullend mogelijk onzin aan elkaar.
Neem de welkomsttekst op de website van choreografenduo Leine & Roebana: „De constante afwisseling van veellagig lichamelijk contrapunt, agressieve aanzetten, lijnverbuiging, ambigue eenvoud, visuele complexiteit en organische deconstructie maakt onze bewegingsstijl tegelijk veeleisend en natuurlijk.” Vlaming Marc Goossens zucht nog eens: „Het zweeft bij jullie allemaal te ver boven de begane grond. In Nederland is men onvoldoende op zoek naar wat ik noem het krabben op de maatschappij. Het onderzoek houdt niet meer in dan ‘hoe houd ik mijn arm hoog. Op 30 of 40 graden?’”
Jaap van Baasbank, mededirecteur van het festival Julidans beaamt dit: „Choreografen hier zijn niet nieuwsgierig, ze zien ook zelden iets van over de grens. Het enige wat we in Nederland mooi vinden is beeldende kunst en design. We zijn denk ik meer van de vorm dan de inhoud. Nederland is bovendien geen cultuurminded volk. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, dat hecht aan cultuur, debat en educatie. Buitenlandse programmeurs zijn geschokt als ze zien dat in onze talrijke cultuurpaleizen de cabaretvoorstellingen de boventoon voeren. Nederland heeft een amusementscultuur.”
Als een van de belangrijkste oorzaken ziet Marc Goossens de regulering van de kunst in Nederland. Er wordt op voorhand gezegd aan kunstenaars wat van hen verwacht wordt. „De ene subsidieperiode moeten ze zich richten op multicultureel, dan weer op multimediaal. Daardoor waaien choreografen met alle politieke winden mee. Het worden dossierschrijvers: hun aanvragen schrijven ze naar de hand van de beleidsmakers. Je creëert er een perfecte grasmat voor paniekvoetbal mee.”
Alle geïnterviewden kunnen zich vinden in de analyse van een verlammend subsidiesysteem. Maar Würsten valt ook een gebrek aan ambitie op. Op de vooropleiding in Rotterdam (de 'danshavo') krijgt hij al te maken met wat hij noemt een verwende jeugd; zijn scholieren vinden de opleiding ‘reuzeleuk’ maar van absolute gedrevenheid is geen sprake. „Ik mis hier de drive om naar de top te willen, het killerinstinct. Hier heerst een consensusmodel. Maatschappelijk en sociaal is dat misschien fantastisch, maar als het om kunst gaat is het funest. Ik neem bij audities op de academie zelfs Nederlanders aan die minder goed zijn dan buitenlandse kandidaten. Anders houd ik geen Nederlander over.”
Te lang zijn choreografen volgens Wüsten niet afgerekend op het gebrek aan succes. „Zoiets is en was hier onbespreekbaar. Je was kunstenaar en dus hoefde je aan niemand rekenschap af te leggen. Publiek deed er niet toe. Daardoor heeft de dans zichzelf uit de markt geprezen.” Moderne dans is langzaamaan het stiefkindje onder de kunsten geworden, terwijl het in België juist floreert.
Maar is het bij de altijd bejubelde Vlamingen dan echt zo goed? Sidi Larbi Cherkaoui (Les Ballets C de la B) en Peeping Tom zijn in België de chroniqueurs van de dans, zij vertalen de grote thema’s over liefde, dood, geschiedenis en identiteit in bewegingsvormen met inhoud. Zij verruimen de dans door hiphop met Indiase dans te combineren, tegelijk niet loepzuiver Gregoriaans te zingen, geweldsesthetiek te verheerlijken en echte baby’s ten tonele te voeren. Geen grens is heilig. In België staat het experiment op een hoger plan dan esthetiek.
„De lessen die de Vlamingen tijdens de Vlaamse golf van zo'n dertig jaar geleden hebben geleerd”, zegt Marc Goossens, „is dat we te klein zijn en dus internationale allianties moesten aangaan. We hebben netwerken opgezet. Alain Platel heeft toen hij met Les Ballets C de la B subsidie kreeg, meteen anderen een kans geboden. In Nederland worden jonge choreografen – de humuslaag van de dans – niet gestimuleerd om artistiek en financieel onafhankelijk te zijn.” De grotere Nederlandse gezelschappen zijn geen goed rolmodel, vinden Marc Goossens en Annemie Vanackere.
Zeker. Openheid, flexibiliteit, internationalisering, moed en vooral kwaliteit zijn de kernwoorden. Er moet durf komen om ingrijpende beslissingen te nemen. Velen hebben het al jaren over de artistiek middelmatige bijdrage van bijvoorbeeld het Scapino Ballet maar zoveel mensen tegelijk ontslaan blijkt telkens een te pijnlijke beslissing. Sociaal beleid wint het van de kunst.
Directeuren van gezelschappen en productiehuizen zouden strenger moeten kunnen selecteren op hun (reis)voorstellingen zodat de mislukkingen niet nog maanden voor lege zalen spelen. De mogelijkheid scheppen om flexibel te programmeren, maakt dat groepen successen kunnen hernemen. Er gebeurt op dat gebied ook al wat want kleine marketinginitiatieven als de Danscombinatie en Dansclick (in één programma gecombineerde ‘hits’) staan garant voor iets goeds.
Goossens, Vanackere, Würsten, Van Baasbank en Zeeman opteren ook voor internationale allianties. Omdat, zegt Vanackere, „alle partners geld bijdragen. Zodat iemand op verschillende plekken een tijd kan werken aan een voorstelling. Alain Platel heeft op die manier bijvoorbeeld een jaar aan zijn VSPRS gewerkt. Incubatietijd is van levensbelang voor kwaliteit.”
Maak het landschap ook diverser en heb de durf om anderen toe te laten: een razend populaire groep als Ish van Marco Gerris bereikt oneindig veel jongeren, heeft inmiddels een eigen opleidingsinstituut en oefent veel maatschappelijke impact uit. De verscheidenheid van de dans moet zich ook profileren met mensen als Emio Greco en Pieter Scholten die internationaal triomfen vieren maar in Nederland nauwelijks een kans kregen.
In het theater pleitte regisseur Johan Simons voor kwaliteit door makers eerst drie voorstellingen zonder subsidie te willen laten maken voor ze überhaupt geld mogen aanvragen. Om theatrale wildgroei te bestrijden. Dat gaat misschien ver maar het zegt iets over de nieuwe tijdsgeest. De danssector moet zich ontdoen van een slaperige ambtenarenmentaliteit en de luiken open zetten. -->
Op 16 april om 16.00 uur vindt in het Theaterinstituut in Amsterdam een debat plaats over de dans naar aanleiding van het vooradvies van de Raad voor Cultuur. Inl: www.tin.nl Festivals voor jonge choreografen: Springdance Utrecht 18-28 april en Voorjaarsontwaken in Korzo Den Haag 12-14 april.

Labels: , ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

30 maart 2007

Batsheva Dance Company: Three (Ohad Naharin)

Batsheva Dance Company: Three. Choreografie Ohad Naharin.

Door Ingrid van Frankenhuyzen/NRC Handelsblad
29/03/07

En weer bewijst hij het: choreograaf Ohad Naharin is een van de weinige echt groten van de dans. Simpeler dan zijn werk Three uit 2005 kan het bij wijze van spreken niet worden want hij doet niet meer en minder dan zijn 17 dansers laten bewegen op muziek. Niet spectaculair mooi balletesk bewegen of virtuoos ingewikkeld, nee, de Israëliër en zijn gezelschap Batsheva Dance Company houden het aards en soms kinderlijk koddig. Maar schijn bedriegt want alle simpelheid zit o zo geraffineerd in elkaar.
Three bestaat uit drie delen waarvan het eerste deel Bellus (schoonheid) op delen uit Bachs Goldbergvariaties gedanst wordt. Zo lucide als piano-aanslagen van Glenn Gould komt Naharin met ritmische aaneengeregen poses die even terloops als aards zijn. Soms in een duet, dan weer in een synchroon gedanst groepsstuk. En tussen al die afgebakende noten en bewegingen, ligt dat mysterie, die bijna onbenoembare energie die al het aardse ontstijgt.
Ohad Naharin (1952) is echter ook een geestverwant van Jiri Kylián – hij is dan ook regelmatig gastchoreograaf bij het Nederlands Dans Theater- en dus zit er her en der een theatrale knipoog tussen al die pure dansvorm.
In deel drie Secus (anders) delen de 17 dansers zich op in drie rijen en doen ze om de beurt een gek kunstje. De gesamplede discobeats met flarden Beach Boys worden ingevuld met een radslag gevolgd door een spagaat, een voor dood neervallende danser of dansers die hun broek naar beneden doen. Tussendoor vertonen ze minder prozaïsche, veel abstractere kunstjes zonder directe betekenis. Het zijn stuiptrekkingen van een hoekige sierlijkheid.
Dit derde deel is de uitsmijter na het introverte, meditatieve deel Humus waarin de dames de lange tonen van Brian Eno in allerlei formaties vormgeven. Weer ogenschijnlijk eenvoudig. Niet alleen in zijn veel theatrale stukken die hij de afgelopen jaren in de Gastprogrammering van het Muziektheater liet zien, is Ohad Naharin een geweldenaar, juist als het om subtiliteit gaat toon hij zich een meester. Three is in twee woorden grote kunst.

Labels: ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

01 maart 2007

Nachtschade

Victoria: Nachtschade.

Door Ingrid van Frankenhuyzen/NRC Handelsblad

Dirks Pauwels van het Belgische theatergezelschap Victoria verzon het concept voor Nachtschade: zeven vaak beroemde danstheatermakers maken een choreografie voor zeven echte, professionele stripteasedansers. Entertainment ontmoet kunst, dat was de gedachte achter de solo’s. De theatervoyeur wordt nu ook erotisch voyeur. Het begint dan ook met een clichébeeld van danseres Barbara Rom die liggend op haar rug met haar (siliconen)borsten prijkt. Maar al snel valt op dat er geen kunstmatige erotiekmimiek en dito gebaartjes aan te pas komen: Eric De Volder stileert haar als een bescheiden, bijna kuis esthetische vrouw. Haar solo wordt opgevolgd door die van de dikke stripteuse Delphine Clairet die van de uitkleeddans een grappige cabaretvoorstelling maakt. Choreografe Vera Mantero laat de burleske kant zien van Clairet die gehuld in ballonnen uiteindelijk body paint-lingerie van zich af wast en ondertussen de zaal een geschiedenislesje vrouwelijke seksualiteit geeft. In de jaren dertig van de 20e eeuw was seks voor vrouwen taboe, nu mag er genoten worden. Maar de moraal is ook dat wie dik is om te lachen is.
Het klassieke, ‘ordinairdere’ werk komt op naam van Wim Vandekeybus die het kontwiegen van Sarah Moon Howe combineert met film en ronddraaiende tepelfranjes. Echt spannend en kunstzinnig is echter de solo van Caroline Lemaire van de hand van Alain Platel. Haar uitstraling van mooi, o zo onschuldig meisje én dodelijke femme fatale is hypnotiserend. Platel voegt in deze klassieke striptease ogenschijnlijk simpele maar uiterst creatieve vormgrappen met het theaterdoek toe. Het vijfkoppige Emanon Ensemble speelt een speciale versie van Je t’aime moi non plus voor dat tikje humor met knipoog. Platel regisseert het allemaal uiterst geraffineerd. Speciaal voor de dames in het publiek is er een sportschooltype man met zachtmoedige uitstraling: Sidi Meesters loopt uiteindelijk met een kaalgeschoren kruis de zaal in.
Nachtschade is daarmee een bonte revue die af en toe de (theater)kunst raakt. Wat dat betreft is choreografe Claudia Triozzi het meest intrigerend: haar danseres Cecilia Bengolea is nauwelijks te zien doordat ze opgaat in een psychedelische diaprojectie. Af en toe komt er een been tevoorschijn uit het geprojecteerde beeld en juist dat zoeken naar Bengolea’s lichaam is verrassend. Het grappige is dat Nachtschade in een welwillende theaterzaal eigenlijk weinig met erotiek te maken heeft. Misschien lopen er in gewone toneelstukken en choreografieën tegenwoordig al te veel naakte lijven rond om gegeneerd, verlegen of gefascineerd te raken. De choreografen trokken de striptease uit de goedkope sekssfeer, en geven het in Nachtschade enig theatraal maar ook preuts cachet. De gedeelde kern van de striptease en het theater ligt slechts in het doen alsof.

Labels: , ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

14 februari 2007

Duetten rond levensvragen

NRC Handelsblad

Productiehuis Rotterdam: Private Peace van Piet Rogie. Dance Works Rotterdam: Duet Gallery.

Door Ingrid van Frankenhuyzen

Existentiële vragen over leven en liefde: choreograaf Piet Rogie stelt ze zonder te antwoorden in zijn nieuwste productie Private Peace. De hoofdpersoon van het op band vertelde verhaal is een eilandbewoner wiens huis en wiens schip met porselein ooit in vlammen opgingen. Met de aangespoelde schoteltjes als decor vormt hij woorden als river, lover of dust. In zijn eenzame en bizarre universum dwalen af en toe ook nog twee dansende gasten rond die net als de man veezeer introvert bewegen.
Sinds Rogie zijn rijkssubsidie verloor, heeft hij in zijn werk alle franje weggelaten. Bijna verbeten zoekt hij naar de naakte zin van het bestaan. In Private Peace levert het af en toe weer beeldschone taferelen op van een man op zoek naar houvast, zeker in combinatie met de melancholieke muziek van o.a. György Ligeti en György Kurtag, maar even zo vaak is het theatraal zo hermetisch en klein, dat je bijna in slaap sukkelt. Iemand zou Rogie dramaturgisch bij de les moeten houden want de beeldengoochelaar blijft een van Nederlands eigenzinnigste makers.
Het duettenprogramma Duet Gallery van Dance Works Rotterdam bevat naast ouder werk van Ton Simons (Little Ease), Dana Caspersen (Prelude 17) en Bruno Listopad (Corpo Pensante), één Nederlandse première: E27SD van Rafael Bonachela, oorspronkelijk uit 2004. Ook hij creëert een eigenzinnig universum: twee dansers lijken na een avond stappen problemen te krijgen met hun herinnering. Zoals dronkenschap tijd en ruimte ontregelt, zo ontregelend spannend wil Bonachela- de man die ook de choreografieën voor Kylie Minogue maakt- het duet zien te krijgen. Tekstflarden( ‘I can hear into my mind’)die dienen als herinnering, spannende en snoeiharde synthesizermuziek, dansers die hoewel wat spastisch verkleefd lijken : ja het is wel voorstelbaar dat je de wereld zo ervaart in een achterafsteegje bij de disco. Opwindend is het niet, wel oké om mee te maken. Zeker samen met de andere duetten die eigenlijk laten zien dat dans deze avond een existentiële kwestie vol levensvragen is.

Labels: ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

13 februari 2007

Anouk van Dijk: Pushing Air

NRC Handelsblad

‘Pushing Air: dans vol lege dynamiek

Gezien 9/2/07 Brakke Grond Amsterdam

Door Ingrid van Frankenhuyzen

Maar liefst drie mensen ontwierpen het geluid bij Anouk van Dijks nieuwe voorstelling Pushing Air: de harde bonken en beuken van Anton Abbes, Jorn van Dijk en David Hernandez is dan ook de motor achter de dansvoorstelling. Elke gecomputeriseerde tromroffel zweept de vier dansers op en verleidt hen tot schokkende bewegingen alsof er reptielen worden geëlektrocuteerd. Ze kruipen rond als leguanen met een zonnesteek. Soms brengen de danser ook zelf geluid voort. Met hun voeten bijvoorbeeld door over een ribbelmatje- met microfoon- heen te wrijven. Een van hen playbackt zelfs computergeluiden in een microfoon. De gedachte erachter: wie lucht verplaatst maakt geluid en maakt ook ruimte. Wie ademt (als danser) kan niet zonder tijd en ruimte.
De filosofie achter Pushing Air is duidelijk maar daarmee is er nog geen diepgravende of diep rakende choreografie ontstaan. Ruim een uur lang schokken en kruipen de dansers rond in een donker speelvlak, afgebakend door ijzeren stangen. Ze hebben niet veel met elkaars aanwezigheid op en slechts sporadisch dansen ze ‘als mensen’ samen. Wat er gebeurt of moet gebeuren blijft hangen, de dramaturgie is er vooral een van de status quo. Nergens wordt het spannend, nergens scherp of afwijkend. De luchtverplaatsing is vooral een hoop dynamisch gekabbel.
Natuurlijk beheersen de dansers het stuiptrekken erg goed want aan de dansers ligt het niet. En Anouk van Dijk mag dan af en toe zeer fraaie frases laten zien, als geheel is Pushing Air veel pretentieuze, gebakken lucht. Het is een beetje de makke van de hedendaagse Nederlandse moderne dans: best leuk, best goed maar verrassen, confronteren, uitdagen, vernieuwen of tot nadenken stemmen doet het niet. Nederlandse moderne dans heeft de zeggingskracht van ambtenarendans: met oogkleppen op wordt de eigen, voor buitenstaanders weinig inspirerende, binnenwereld tot maatstaf. Anouk van Dijk had er deze keer ook teveel last van.

Labels: ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

05 februari 2007

Rosas: D'un soir d'un jour

Rosas: D’un soir un jour van Anne Teresa De Keersmaeker.

Door Ingrid van Frankenhuyzen/NRC Handelsblad

Even waan je je in 1912 toen de fameuze Russische danser Vaslav Nijinski in plaats van een sierlijke vloeiende dans ineens hoekige poses zoals ze op Griekse vazen worden afgebeeld, aan elkaar reeg en als dans presenteerde. Op dezelfde muziek, L’après-midi d’un faune van Claude Debussy, speelt choreografe Anne Teresa De Keersmaeker nu met die dansgeschiedenis en interpreteert ze de typische staccato dansstijl met haar eigen hoekigheden.
D’un soir un jour van het Belgische gezelschap Rosas is dan ook een nieuwe aflevering in het onderzoek naar de relatie tussen muziek en beweging. Behalve Debussy legt De Keersmaeker ook Stravinski en George Benjamin in zes delen onder de loep. Elke laag in de muziek, bijna elk instrument kent een eigen vertolker in beweging – er zijn dertien dansers- en voor een geoefend kijker zit het ongelooflijk ingenieus in elkaar. Voor de pauze worden veel choreografisch eieren gelegd die na de pauze uitgebroed worden. De Keersmaeker vertelt op haar poëtische wijze het verhaal van de faun die niet weet of hij droomt als hij twee nimfen in het bos ziet. Het mechanische van Nijinsky neemt ze over, elke beweging lijkt na de inzet even te bevriezen om de frictie tussen droom en werkelijkheid gestalte te geven.
Na de pauze komen kleine frases en fragmenten uit die dans terug. Toch creëert ze in de eerste helft vooral een terloopse, zeer nonchalante sfeer waarin de dansers als eenlingen af en toe wat rennen en stilstaan en vooral niet academisch esthetisch dansen want een teen strekte je anno 1912 niet door. De schijnbare achteloosheid ontaardt voor de pauze echter in blijkbare willekeurigheid. Spannend wordt het nergens tussen al die identiteitsloze lichamen die doelloos ronddartelen. Pas na de pauze komt D’un soir un jour een beetje (maar nooit helemaal) op gang. De Keersmaeker maakt van Nijinski’s gereconstrueerde ballet Jeux waarin hij tennis tot dans verhief, een eigen film. Alle ernst maakt plaats voor lichte humor als een man droomt dat er in een park tennis gespeeld wordt. De Keersmaeker eindigt groots en energiek op Debussy’s tennismuziek. Alle referenties, alle bewegingen vallen op hun plaats en eindelijk wordt er met ritme, schwung, heuse harmonieën en aanstekelijk mysterie gedanst. Maar die laatste 10 minuten maken toch een lange avond uiteindelijk niet meer goed.

Labels:

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.