04 mei 2007

Reactie op NRC-artikel over de dans

Dag,
in bijlage een stuk dat drie auteurs hebben geschreven als alternatief voor / reactie op het stuk dat Ingrid van Frankenhuyzen heeft geschreven ter vooraankondiging van een discussiebijeenkomst over de Nederlandse dans maandag a.s. Hierover heeft Benien van Berkel vorige week contact gehad.
Wij hopen uiteraard dat jullie het interessant vinden dit te plaatsen náást Ingrid's stuk, om de tegenstelling meteen duidelijk te poneren, of in ieder geval zo spoedig mogelijk, zodat er meerdere stemmen in de pers hebben geklonken vóór de bijeenkomst plaatsvindt.

Ik hoor graag van jullie!
met vriendelijke groet,

Annemieke Keurentjes




‘Wat we nodig hebben zijn gepassioneerde dansmakers, programmeurs en recensenten. Allemaal moeten we erop gericht zijn dans als kunst, in al zijn vormen, te vieren.’ (Nicole Beutler, choreograaf)

Het is onrustig in de kunstensector in Nederland. Een nieuwe regering en Minister voor Cultuur zetten de komende vier jaar hun eigen stempel op het kunstbeleid. Maar ook heeft de overheid een proces op gang gebracht om de verhouding tussen de kunstinstellingen en de subsidieverstrekker(-s) te veranderen. De Raad voor Cultuur heeft onlangs een lijvig advies aan de regering uitgebracht. In het veranderingsproces lijken twee vragen centraal te staan: hoe bepaalt de overheid haar positie ten opzichte van de kunstinstellingen, en: wat is een verantwoorde, functionele verdeling van kunstinstellingen over het land.

Het Nederlandse dansveld heeft de uitkomsten van dit herschikkingsproces niet afgewacht en heeft in een eigen onderzoek de inhoud centraal gesteld. Wat zijn inspiratiebronnen in een veranderende omgeving, wat is de artistieke drive, hoe krijgt deze vorm? In wat voor omgeving kan een bevlogen danskunstenaar tot bloei komen? Met wie worden relaties onderhouden om deze praktijk te realiseren en openbaar te maken, en de kunstvorm verder te ontwikkelen?

Op 16 april a.s. wordt een document gepresenteerd met de titel “Dans zichtbaar beter”, dat de bevindingen van het afgelopen jaar bevat. Onderwerpen zijn bijvoorbeeld de samenwerking met andere kunstenaars, de verhouding tot de actualiteit en de communicatie met het publiek. “Dans zichtbaar beter” sluit af met een agenda voor de komende periode, want dans heeft veel te bieden maar ook nog veel te winnen. Het is een uitdaging ervoor te zorgen dat de dans een levendige plek in de samenleving heeft, die recht doet aan de eigen kracht van deze kunstdiscipline en aan de grote schaal waarop Nederland danst.

Dat klinkt allemaal weinig revolutionair. Eén en ander past echter naadloos in de ontwikkeling van de dans in Nederland.
De dans heeft onmiskenbaar aan belang gewonnen in de loop van haar relatief jonge historie in het kunstenveld. De gesubsidieerde, professionele theaterdans is in een paar decennia uitgegroeid van een tuintje met twee grote balletgezelschappen, tot een wijds landschap met tientallen gezelschappen van uiteenlopend formaat, productiekernen, onafhankelijk werkende choreografen, festivals met internationale programmering, productiehuizen en werkplaatsen. Bij haar ontwikkeling heeft de Nederlandse dans slim gebruik gemaakt van buitenlandse expertise door ze in te huren of op te zoeken (van Sonia Gaskell en Benjamin Harkarvy bij Het Nationale Ballet en het Nederlands Dans Theater tot de studiereizen van Pauline de Groot en Bianca van Dillen), of door buitenlandse kunstenaars op te nemen in het bestel (Jiri Kylian, Krisztina de Châtel, Itzik Galili). Het internationaal werken is het danskind met de paplepel ingegoten, en dat is nog steeds merkbaar in de huidige praktijk. Naast voorstellingen die door podia en festivals in het buitenland worden afgenomen gaan vele danskunstenaars vanuit Nederland de wereld over om les te geven, gastchoreografieën te maken, research te doen of aan coproducties te werken. Zo maakt Anouk van Dijk een voorstelling bij Beijing Dance Company, André Gingras bij Rambert Ballet. David Zambrano onderricht internationaal zijn flying low techniek, leden van de LISA groep en Emio Greco PC reizen over hele wereld om hun werk te maken en te presenteren. Deel uitmaken van het internationale circuit betekent niet alleen voorstellingen in het buitenland spelen, maar het zorgvuldig opbouwen en onderhouden van een netwerk, en nieuwsgierig zijn naar andere artistieke visies. Die internationale uitwisseling is een bloeiende praktijk die zich deels onttrekt aan statistieken en aan het zicht van beleidsmakers en journalisten.

Door de aanvankelijk kleine omvang van de theaterdans in Nederland heeft zich geen duidelijk breekpunt in de ontwikkeling voorgedaan. Op het moment dat in de muziek (actie Notenkraker) en in het toneel (actie Tomaat) een nieuwe generatie zich afzette tegen vastgeroeste praktijken van hun voorgangers had een klein aantal dansinstellingen zich bij wijze van spreken nog maar net een plaats veroverd in het kunstbestel. De veranderingen die in de twee andere kunstdisciplines met veel kabaal werden afgedwongen kregen in de dans ‘gewoon’ een plaats in de uitbreiding van de kunstvorm. Revolutionair élan was niet nodig voor verandering, maar voor het bereiden van de weg voor een volgende generatie. Jonge makers hebben vervolgens hun weg gezocht zonder polarisatie. De pubertijd van de Nederlandse danskunst voltrok zich zonder generatieconflict, en is benut voor groei tot een veelzijdig wezen. Die veelzijdigheid is niet schreeuwerig of extreem, zoals gelukkig ook niet de meeste mensen schreeuwerig of extreem zijn. Maakt dat de dans in Nederland saai? Verre van!

Er zijn in Nederland jaarlijks duizenden dansvoorstellingen te bezoeken. De bezoekcijfers zijn de laatste vijf jaar gestegen. Hoewel het rijksdansbudget het kleinste is van alle podiumdisciplines, is er van de calimero onder de kunsten beslist geen sprake. De verscheidenheid in stijlen is groot: zie de formele dans van het Nederlands Dans Theater, het theatrale van het Hans Hof Ensemble, de virtuele inspiratiebronnen van Andrea Bozic, de fascinatie voor het fysiek bij Emio Greco/PC, de urban culture bij ISH.
Dans is misschien ook zichtbaarder dan ooit. Er is nog maar een enkele maker in Nederland die ervoor kiest zijn werk alleen in het traditionele theater te presenteren. Het aantal voorstellingen op scholen, in stadswijken, op festivals en andere bijzondere plekken breidt zich uit. De reden daarvoor is soms heel praktisch: een gebrek aan belangstelling van de reguliere podia. De overwegingen van de makers zijn echter vooral artistiek: ‘Misschien past mijn werk wel beter in een galerie’ (Keren Levi). ‘Multi-perspectief is een constant aspect van mijn werk, en dat is boeiend als het publiek aan vier kanten om het podium zit.’ (Ton Simons) . ‘Als je het reguliere publiek wil uitbreiden, moet je dat publiek opzoeken. Het is al lang bewezen dat het ene volk niet vrijwillig bij het andere op visite gaat. Dat kan je alleen doorbreken door met nieuwe podia op de proppen te komen.’ ( Nanine Linning).

De keuzes die artistiek leiders van gezelschappen en productiehuizen, programmeurs én beleidsmakers maken zijn van verregaande invloed op de kwaliteit en veelzijdigheid van de Nederlandse dans van de nabije toekomst. Het is van belang dat er voldoende kansen geboden (blijven) worden voor een breed palet aan talent en verschillende artistieke visies. Eigentijdse ontwikkelingen op bijvoorbeeld het terrein van multimedia, danstheater, geëngageerd danswerk, culturele crossovers en street art verdienen daar ook een plek in. De dans in Nederland is volwassen geworden. Nu komt het erop aan haar vitaal te houden.

Leontien Wiering is directeur van de Nederlandse Dansdagen en adjunct-directeur voor de sector Dans van de Theaterschool Amsterdam
Simon Dove is directeur van Springdance
Annemieke Keurentjes is researcher bij het Holland Festival


.

Labels: ,

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

0 Commentaar:

Een reactie plaatsen

Links naar dit ding:

Een koppeling maken

<< Home