Hou nou eens op met die onzin
Ingrid van Frankenhuyzen / NRC Handelsblad 13 april 2007
Dans Debat
Hou eens op met die onzin
Hoe de Nederlandse danswereld zich in slaap liet sussen
De veronderstelde toppositie van de Nederlandse dans is volgens kenners maar schijn. In werkelijkheid zijn we volledig achterop geraakt.
‘Ik zou wel met een zweep door de dans in Nederland willen gaan.” De Vlaamse dansprogrammeur Marc Goossens zegt het met een licht vermoeide zucht, en hij is de enige niet. De Vlaamse Annemie Vanackere, medeartistiek leider van de Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam, bekent dat ze zich van de Nederlandse dans heeft afgekeerd „omdat het me allemaal niet meer zo prikkelt. Er is hier niemand die de gebaande paden mijdt.” Samuel Würsten, directeur van het Holland Dance Festival en de Rotterdamse Dansacademie, formuleert het met enige tegenzin, als: „Er is niemand die hier ooit eens tegen de choreografen zegt: hou nou eens op met die onzin. Soms zit ik een uur lang naar een voorstelling te kijken en dan denk ik alleen maar: is er een dokter in de zaal?”
Buitenlandse programmeurs als Goossens of Michel Didier (Frankrijk) zijn van mening dat wat hier de laatste jaren gemaakt wordt slaapverwekkend en betekenisloos is. En ze hebben gelijk. Want hoewel Nederland massaal de mantra bezingt dat onze dans een internationale toppositie inneemt, concludeert de Raad voor Cultuur in het net verschenen Vooradvies dat de Nederlandse moderne dans ver ondervertegenwoordigd is op internationale festivals. Nederlandse dans, waarvan altijd wordt gezegd dat het zo’n goed exportproduct is, omdat het taalloos is, is in het buitenland minder te zien dan Nederlands toneel, dat wel de taalbarrière moet nemen.
Dat het niet bijster goed gaat met de dans, valt niet te ontkennen. Op veel fronten zijn er problemen. Nederlandse programmeurs vinden moderne dans te ontoegankelijk, zalen blijven leeg. Het aanbod is niet alleen veel groter dan de vraag, het is ook versnipperd en paradoxaal genoeg eenzijdig. Veel gezelschappen zijn gezichtloos geworden; choreografen hoppen van het ene naar het andere gezelschap.
Waar ging het dan allemaal mis? In elk geval niet toen vijftig jaar geleden Rudi van Dantzig en Hans van Manen aan het toneel verschenen. Ook niet toen Jiri Kylián in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Nederlands Dans Theater op de wereldkaart zette. Maar deze drie ‘grootvaders’ zijn al decennia het vertrek- en ijkpunt van de Nederlandse dans. Op hun verdienste – en die van Kyliáns erfopvolgers Paul Lightfoot en Sol Léon – drijft de mooie Hollandse reputatie nog altijd. Zij verankerden de dans als serieus te nemen te nemen discipline en met de virtuoze NDT-dansers trekken zij in binnen- en buitenland volle zalen.
Pieter Zeeman, projectmedewerker internationalisering van SICA (Stichting Inter Culturele Activiteiten) zegt erover: „In vergelijking met het buitenland is hier veel geld. Er eten nu alleen te veel mensen uit de ruif. Daardoor heeft iedereen een beetje geld en toch weinig. Dat levert verstarring op.” Creativiteit bloedt dood. Het behouden en binnenhalen van subsidie is een dagtaak geworden; artistieke urgentie en noodzakelijkheid bestaan niet meer. Op uitzonderingen als Itzik Galili, Emio Greco/PC en Krisztina de Châtel na, heeft de dans zichzelf verschanst in een gesloten inrichting, staart nog slechts naar de eigen navel en brabbelt zo verhullend mogelijk onzin aan elkaar.
Neem de welkomsttekst op de website van choreografenduo Leine & Roebana: „De constante afwisseling van veellagig lichamelijk contrapunt, agressieve aanzetten, lijnverbuiging, ambigue eenvoud, visuele complexiteit en organische deconstructie maakt onze bewegingsstijl tegelijk veeleisend en natuurlijk.” Vlaming Marc Goossens zucht nog eens: „Het zweeft bij jullie allemaal te ver boven de begane grond. In Nederland is men onvoldoende op zoek naar wat ik noem het krabben op de maatschappij. Het onderzoek houdt niet meer in dan ‘hoe houd ik mijn arm hoog. Op 30 of 40 graden?’”
Jaap van Baasbank, mededirecteur van het festival Julidans beaamt dit: „Choreografen hier zijn niet nieuwsgierig, ze zien ook zelden iets van over de grens. Het enige wat we in Nederland mooi vinden is beeldende kunst en design. We zijn denk ik meer van de vorm dan de inhoud. Nederland is bovendien geen cultuurminded volk. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, dat hecht aan cultuur, debat en educatie. Buitenlandse programmeurs zijn geschokt als ze zien dat in onze talrijke cultuurpaleizen de cabaretvoorstellingen de boventoon voeren. Nederland heeft een amusementscultuur.”
Als een van de belangrijkste oorzaken ziet Marc Goossens de regulering van de kunst in Nederland. Er wordt op voorhand gezegd aan kunstenaars wat van hen verwacht wordt. „De ene subsidieperiode moeten ze zich richten op multicultureel, dan weer op multimediaal. Daardoor waaien choreografen met alle politieke winden mee. Het worden dossierschrijvers: hun aanvragen schrijven ze naar de hand van de beleidsmakers. Je creëert er een perfecte grasmat voor paniekvoetbal mee.”
Alle geïnterviewden kunnen zich vinden in de analyse van een verlammend subsidiesysteem. Maar Würsten valt ook een gebrek aan ambitie op. Op de vooropleiding in Rotterdam (de 'danshavo') krijgt hij al te maken met wat hij noemt een verwende jeugd; zijn scholieren vinden de opleiding ‘reuzeleuk’ maar van absolute gedrevenheid is geen sprake. „Ik mis hier de drive om naar de top te willen, het killerinstinct. Hier heerst een consensusmodel. Maatschappelijk en sociaal is dat misschien fantastisch, maar als het om kunst gaat is het funest. Ik neem bij audities op de academie zelfs Nederlanders aan die minder goed zijn dan buitenlandse kandidaten. Anders houd ik geen Nederlander over.”
Te lang zijn choreografen volgens Wüsten niet afgerekend op het gebrek aan succes. „Zoiets is en was hier onbespreekbaar. Je was kunstenaar en dus hoefde je aan niemand rekenschap af te leggen. Publiek deed er niet toe. Daardoor heeft de dans zichzelf uit de markt geprezen.” Moderne dans is langzaamaan het stiefkindje onder de kunsten geworden, terwijl het in België juist floreert.
Maar is het bij de altijd bejubelde Vlamingen dan echt zo goed? Sidi Larbi Cherkaoui (Les Ballets C de la B) en Peeping Tom zijn in België de chroniqueurs van de dans, zij vertalen de grote thema’s over liefde, dood, geschiedenis en identiteit in bewegingsvormen met inhoud. Zij verruimen de dans door hiphop met Indiase dans te combineren, tegelijk niet loepzuiver Gregoriaans te zingen, geweldsesthetiek te verheerlijken en echte baby’s ten tonele te voeren. Geen grens is heilig. In België staat het experiment op een hoger plan dan esthetiek.
„De lessen die de Vlamingen tijdens de Vlaamse golf van zo'n dertig jaar geleden hebben geleerd”, zegt Marc Goossens, „is dat we te klein zijn en dus internationale allianties moesten aangaan. We hebben netwerken opgezet. Alain Platel heeft toen hij met Les Ballets C de la B subsidie kreeg, meteen anderen een kans geboden. In Nederland worden jonge choreografen – de humuslaag van de dans – niet gestimuleerd om artistiek en financieel onafhankelijk te zijn.” De grotere Nederlandse gezelschappen zijn geen goed rolmodel, vinden Marc Goossens en Annemie Vanackere.
Zeker. Openheid, flexibiliteit, internationalisering, moed en vooral kwaliteit zijn de kernwoorden. Er moet durf komen om ingrijpende beslissingen te nemen. Velen hebben het al jaren over de artistiek middelmatige bijdrage van bijvoorbeeld het Scapino Ballet maar zoveel mensen tegelijk ontslaan blijkt telkens een te pijnlijke beslissing. Sociaal beleid wint het van de kunst.
Directeuren van gezelschappen en productiehuizen zouden strenger moeten kunnen selecteren op hun (reis)voorstellingen zodat de mislukkingen niet nog maanden voor lege zalen spelen. De mogelijkheid scheppen om flexibel te programmeren, maakt dat groepen successen kunnen hernemen. Er gebeurt op dat gebied ook al wat want kleine marketinginitiatieven als de Danscombinatie en Dansclick (in één programma gecombineerde ‘hits’) staan garant voor iets goeds.
Goossens, Vanackere, Würsten, Van Baasbank en Zeeman opteren ook voor internationale allianties. Omdat, zegt Vanackere, „alle partners geld bijdragen. Zodat iemand op verschillende plekken een tijd kan werken aan een voorstelling. Alain Platel heeft op die manier bijvoorbeeld een jaar aan zijn VSPRS gewerkt. Incubatietijd is van levensbelang voor kwaliteit.”
Maak het landschap ook diverser en heb de durf om anderen toe te laten: een razend populaire groep als Ish van Marco Gerris bereikt oneindig veel jongeren, heeft inmiddels een eigen opleidingsinstituut en oefent veel maatschappelijke impact uit. De verscheidenheid van de dans moet zich ook profileren met mensen als Emio Greco en Pieter Scholten die internationaal triomfen vieren maar in Nederland nauwelijks een kans kregen.
In het theater pleitte regisseur Johan Simons voor kwaliteit door makers eerst drie voorstellingen zonder subsidie te willen laten maken voor ze überhaupt geld mogen aanvragen. Om theatrale wildgroei te bestrijden. Dat gaat misschien ver maar het zegt iets over de nieuwe tijdsgeest. De danssector moet zich ontdoen van een slaperige ambtenarenmentaliteit en de luiken open zetten. -->
Op 16 april om 16.00 uur vindt in het Theaterinstituut in Amsterdam een debat plaats over de dans naar aanleiding van het vooradvies van de Raad voor Cultuur. Inl: www.tin.nl Festivals voor jonge choreografen: Springdance Utrecht 18-28 april en Voorjaarsontwaken in Korzo Den Haag 12-14 april.

Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

3 Commentaar:
Nederlandse dans bloeit en groeit als nooit tevoren
Zoals de titel “Hou eens op met die onzin” al doet vermoeden, bedient Ingrid van Frankenhuyzen zich in het artikel in NRC Handelsblad van vrijdag 13 april jl. over de stand van zaken in de moderne dans in Nederland van de methoden uit de riooljournalistiek. Wat doet ze? Ze poneert de stelling dat het niet goed gaat met de dans, laat een stel niet-kunstenaars met persoonlijke agenda’s en voorkeuren een aantal ongenuanceerde, smeuïge uitspraken doen die geen onderlinge samenhang vertonen en wekt met haar eigen verbindende commentaar de suggestie van een debat dat haar conclusie onderschrijft. Bovendien versmalt ze het geveinsde discours tot een eenvoudige Holland-België, alsof de danswereld daar ophoudt.
De Vlaming Goossens, programmeur, geeft met zijn kritiek op het Nederlandse subsidiebestel een blauwdruk van het debat dat de afgelopen jaren in zijn eigen land gevoerd is, omdat men daar vindt dat de Vlaamse Golf al lang over zijn hoogtepunt heen is en wekt verder niet de indruk zich in de Nederlandse danswereld verdiept te hebben. De Vlaamse Van Ackere, dansprogrammeur in de Rotterdamse Schouwburg, meent argeloos dat het rijk geschakeerde Nederlandse dansveld zich beperkt tot ‘conceptuelen’ en ‘vormelijken’. Als voorbeeld voor stagnerende zeggingskracht draagt de stimulerende programmeur de choreografe Nanine Linning aan, die amper dertig jaar, reeds een imposant oeuvre heeft opgebouwd en nog maar aan het begin van een carrière staat.
De enige van de opgevoerde sprekers van wie gezien zijn actieve dansverleden kennis van zaken mag worden verondersteld, de directeur van de Rotterdamse Dansacademie en van het Holland Dance Festival, Samuel Würsten, beperkt zich tot tendentieuze cliché’s over de huidige ’verwende jeugd’ en ‘dokters in de zaal’. Het is te hopen en te verwachten dat deze prominente dansbestuurder zal schrikken bij het teruglezen van zijn uitlatingen en de context waarin ze zijn geplaatst.
De bewering dat de Nederlandse dans op de internationale podia ontbreekt is allerminst waar. In het artikel worden de internationale triomfen van het Nederlands Dans Theater en van Emio Greco/PC terecht geprezen. Daarbij zijn er talrijke gezelschappen die gezamenlijk een indrukwekkende en gestaag groeiende internationale speellijst kunnen voorleggen.
Als voorbeeld van succesvolle Nederlandse dans worden de namen van Emio Greco en Itzik Galili genoemd. Deze choreografen hebben zich in en dankzij het Nederlandse bestel kunnen ontwikkelen, terwijl Van Frankenhuyzen volhoudt dat Greco geen kans in dit land krijgt. Overigens belet niemand de internationale Nederlanders om hun vleugels wereldwijd uit te slaan en internationale allianties aan te gaan. Naar het schijnt laten zij zich echter verleiden tot opname in de vermaledijde basisinfrastructuur met al zijn taken en verplichtingen en opteren daarmee voor de gevulde ‘ruif’ van Piet Zeeman. Het is deze kunstenaars van harte gegund maar hopelijk weten de ‘ongelukkigen’ waaraan ze beginnen.
En passant sleept Van Frankenhuyzen er met de haren Scapino Ballet Rotterdam bij, als nieuw hoofdstuk in haar persoonlijke, niet aflatende kruistocht tegen dit gezelschap. Zij trekt als een van de weinigen in dit land en daarbuiten de artistieke kwaliteit in twijfel en pleit zelfs openlijk voor liquidatie van het gezelschap. Met deze uitspraken, die getuigen van kwaadaardig opportunisme, opzettelijke vertekening van de werkelijkheid en een poging tot stemmingmakerij, bedrijft van Frankhuyzen het soort misleidend populisme waar Geert Wilders in de politiek het patent op heeft.
Genoeg over de nihilisten. Hoe ziet de mooie werkelijkheid er uit?
In Nederland zijn er vier grote(re) gezelschappen die geheel of gedeeltelijk de moderne dans of het modern ballet presenteren. De danserstableau’s van deze gezelschappen behoren kwalitatief tot de wereldelite en beheersen een enorme diversiteit aan stijlen en technieken, een absolute noodzaak om internationale topchoreografen aan je te binden en de basis van alle dansontwikkeling zoals ook de directeur van de School voor Nieuwe Dansontwikkeling (SNDO), Gabriël Smeets, in een recent interview in de Volkskrant terecht constateerde.
De opvatting van deze dansgroepen dat de dans zich van binnenuit dient te ontwikkelen en de wijze waarop zij daar gestalte aan geven is naar mondiale maatstaven uniek te noemen. De bevlogen artistiek leiders bewaken niet alleen met hoogwaardige expertise de kwalitatieve continuïteit van hun dansersgroep (bij handhaving waarvan volgens peetvader Hans van Manen choreografisch talent zich vanzelf zal aandienen). Zij zetten tevens de deuren wagenwijd open voor jong choreografisch talent. Niet om ze te verwennen. Om ze ruimte te geven, om te kunnen en leren werken met topdansers, om ze te leren produceren, de faciliteiten te benutten en om te gaan met de financiën. Om ze te laten kijken, voelen, opzuigen en ruiken aan alles wat hun nieuws- en leergierigheid prikkelt. En uiteindelijk om ze aan het publiek te presenteren.
En in die gezelschappen bruist het bovendien van de energie en ambitie om te creëren en choreograferen bij de dansers, die zich daarvoor melden bij de interne workshops, werkplaatsen, productiehuizen en choreografen-concoursen.
Daarnaast is er een laag van kleinere gezelschappen, productiekernen, individuele makers, productiehuizen, festivals en werkplaatsen die in diversiteit, variëteit, multidisciplinaire cross overs en ideeënrijkdom zijn weerga in de wereld niet kent.
Zijn er dan geen problemen? Jazeker, van Baasbank stipt ze in het artikel terloops aan. Het marktaandeel van de gesubsidieerde kunsten op de Nederlandse podia loopt terug. Niet echter de publiekscijfers voor dans of het aantal voorstellingen. De percentuele terugloop wordt in zijn geheel veroorzaakt door de explosieve groei van het niet gesubsidieerde, commerciële aanbod in de theaters. Zoals ook de kolommen op de kunstpagina’s van de kwaliteitskranten in toenemende mate gereserveerd worden voor amusement en entertainment.
Dáár maakt de danssector zich zorgen over. Om deze trend het hoofd te kunnen bieden en het tij te keren heeft de Dans zich de afgelopen twee jaar sectorbreed, van groot en gevestigd tot klein en heel klein onder het vergrootglas gelegd, analyses gemaakt en aanbevelingen voor instrumenten en samenwerkingsverbanden geformuleerd. En ook met deze brede coalitie loopt de energieke sector wereldwijd voorop.
Schort er dan niets aan de Nederlandse dans? Jawel, de kunstdiscipline eigen is er een chronisch gebrek aan krachtige en terzake kundige woordvoerders die Van Frankenhuyzen en consorten eens grondig de oren wassen en tegelijkertijd de nationale en internationale danswereld duidelijk maken dat de Nederlandse dans bloeit en groeit als nooit tevoren.
Rotterdam, 16 april 2007
Ed Wubbe/Harald Moes
directie Scapino Ballet Rotterdam
Na beide artikelen te hebben gelezen voelde ik de drang om ook het een en ander neer te leggen vanuit mijn positie bij FNV Kiem.
Punt 1. Er wordt met roem gegooid naar Emio Greco/ PC, echter heeft dit structureel gesubsidieerde gezelschap er voor gekozen om niet lid te worden van de DOD, want hierdoor hoeven zij niet de salaris structuur te volgen nog de regels in de CAO dans. Dat maakt het voor een gezelschap wel erg makkelijk. Nog niet te spreken over de onmenselijke werksituatie. Tevens vind ik het een bizar idee dat een structureel gesubsidieerd gezelschap zich niet aan de CAO dans hoeft te houden, een aandachtspunt voor de politiek lijkt mij.
Punt 2. Als er door gezelschappen gekomen wordt met innovatieve ideeën, om moderne dans toegankelijker te maken is er voor hen helaas geen subsidie te verkrijgen daar zij niet in de doelstellingen van de fondsen vallen, ook de fondsen zijn schuldig aan het tegenwerken van nieuwe ideeën op de dansmarkt.
Ik denk dat heel subsidie land alles goed vind zolang we allen inderdaad maar met de wind mee waaien en netjes in onze “boxes” blijven. Dus geen wonder dat er niets nieuws gebeurd!!!
Punt 3. Er wordt gezegd dat Nederlandse gezelschappen niet of nauwelijks worden vertoond in het buitenland. Dat is ook nogal moeilijk gezien de quota die gezelschappen moeten halen in Nederland qua voorstellingen of aan de norm 15 % eigen inkomsten opgelegd door OCW. Nog niet te spreken over de verplichte REI en Arbo wetgevingen waaraan voldaan moet worden, maar krijgen de gezelschappen daar extra geld voor? Nee, en het is toch wel erg moeilijk als de subsidie bedragen gebaseerd worden op het jaar 2000, dat is 8 jaar inflatie mislopen. Maar de gezelschappen van het DOD proberen in ieder geval aan verbeterende arbeid voorwaarden te doen, waarvoor groot applaus, want uit ervaring weet ik dat het passen en meten is met tiende van procenten .
De tijd die deze gezelschappen hebben is al beperkt, ook door de werkuren die zijn toegestaan via de CAO dans(Emio Greco/ PC?????). Dus is het geen wonder dat de prioriteit van de Nederlandse gezelschappen op Nederland gericht zijn. Ik vraag mij dan ook af of de Belgische subsidie dezelfde hoge regels kent en eisen stelt aan haar gezelschappen? Ik denk het niet.
Heeft België of de rest van de wereld een CAO voor de dans, een Omscholingsregeling voor dansers,Overbruggingsfonds, sociaal fonds, arbeidsongeschiktheids Hiat en excedent regeling. Regelingen die allemaal geïnitieerd zijn door sociale partners (DOD en FNV Kiem).
Het zou eens hoog tijd moeten worden dat er ook gekeken wordt wat er allemaal geïnitieerd is door de dansgezelschappen in Nederland en de bond. En dan in het bijzonder het SOD (omscholingsfonds voor dansers) een unicum in de internationale danswereld. Laat de internationale danswereld ook eens kijken naar hoe het in Nederland allemaal is geregeld, en daar van leren, en zien dat Nederland juist op dat gebied een vooruitstrevend land is. Er wordt teveel gekeken naar de artistieke kwaliteiten door “experts”. Maar is het niet het publiek dat bepaald wat goed is, wordt er aan hen gevraagd wat ze vinden hebben zij een stem, nee!!!, Maar zijn zij het niet die de Nederlandse dans draaiend houden?
Laten we inderdaad eens ophouden met: cultuur raad hier en cultuur raad daar, die vindt het artistiek slap, “is er een doctor in de zaal “, “maffia “, noem maar op, we zijn met zijn allen toch kunstenaars met een passie, toch geen kleine kinderen. Laten we eens ophouden met dat gezeur over smaak, smaak is individueel!!!!!!!!! Laten we dat accepteren. En kijken wat ieder gezelschap individueel bijdraagt aan de dansontwikkeling in Nederland, of het nou vernieuwend is, publiek genereert, educatief goed bezig is, doorstroming creëert voor opkomend talent, artistiek geweldig is. Elk steentje draagt bij en geen een is belangrijker dan de ander.
Ik denk persoonlijk dat de subsidie criteria vanuit OCW versoepelt dient te worden, want naar mijn idee dragen zij mede schuld aan het uitblijven van de internationale vertegenwoordiging van Nederland.
K. Polak
Cao commissie dans/ helpdesk consulent plus FNV Kiem/ Bestuurder SOD/SFT.
Na beide artikelen te hebben gelezen voelde ik de drang om ook het een en ander neer te leggen vanuit mijn positie bij FNV Kiem.
Punt 1. Er wordt met roem gegooid naar Emio Greco/ PC, echter heeft dit structureel gesubsidieerde gezelschap er voor gekozen om niet lid te worden van de DOD, want hierdoor hoeven zij niet de salaris structuur te volgen nog de regels in de CAO dans. Dat maakt het voor een gezelschap wel erg makkelijk. Nog niet te spreken over de onmenselijke werksituatie. Tevens vind ik het een bizar idee dat een structureel gesubsidieerd gezelschap zich niet aan de CAO dans hoeft te houden, een aandachtspunt voor de politiek lijkt mij.
Punt 2. Als er door gezelschappen gekomen wordt met innovatieve ideeën, om moderne dans toegankelijker te maken is er voor hen helaas geen subsidie te verkrijgen daar zij niet in de doelstellingen van de fondsen vallen, ook de fondsen zijn schuldig aan het tegenwerken van nieuwe ideeën op de dansmarkt.
Ik denk dat heel subsidie land alles goed vind zolang we allen inderdaad maar met de wind mee waaien en netjes in onze “boxes” blijven. Dus geen wonder dat er niets nieuws gebeurd!!!
Punt 3. Er wordt gezegd dat Nederlandse gezelschappen niet of nauwelijks worden vertoond in het buitenland. Dat is ook nogal moeilijk gezien de quota die gezelschappen moeten halen in Nederland qua voorstellingen of aan de norm 15 % eigen inkomsten opgelegd door OCW. Nog niet te spreken over de verplichte REI en Arbo wetgevingen waaraan voldaan moet worden, maar krijgen de gezelschappen daar extra geld voor? Nee, en het is toch wel erg moeilijk als de subsidie bedragen gebaseerd worden op het jaar 2000, dat is 8 jaar inflatie mislopen. Maar de gezelschappen van het DOD proberen in ieder geval aan verbeterende arbeid voorwaarden te doen, waarvoor groot applaus, want uit ervaring weet ik dat het passen en meten is met tiende van procenten .
De tijd die deze gezelschappen hebben is al beperkt, ook door de werkuren die zijn toegestaan via de CAO dans(Emio Greco/ PC?????). Dus is het geen wonder dat de prioriteit van de Nederlandse gezelschappen op Nederland gericht zijn. Ik vraag mij dan ook af of de Belgische subsidie dezelfde hoge regels kent en eisen stelt aan haar gezelschappen? Ik denk het niet.
Heeft België of de rest van de wereld een CAO voor de dans, een Omscholingsregeling voor dansers,Overbruggingsfonds, sociaal fonds, arbeidsongeschiktheids Hiat en excedent regeling. Regelingen die allemaal geïnitieerd zijn door sociale partners (DOD en FNV Kiem).
Het zou eens hoog tijd moeten worden dat er ook gekeken wordt wat er allemaal geïnitieerd is door de dansgezelschappen in Nederland en de bond. En dan in het bijzonder het SOD (omscholingsfonds voor dansers) een unicum in de internationale danswereld. Laat de internationale danswereld ook eens kijken naar hoe het in Nederland allemaal is geregeld, en daar van leren, en zien dat Nederland juist op dat gebied een vooruitstrevend land is. Er wordt teveel gekeken naar de artistieke kwaliteiten door “experts”. Maar is het niet het publiek dat bepaald wat goed is, wordt er aan hen gevraagd wat ze vinden hebben zij een stem, nee!!!, Maar zijn zij het niet die de Nederlandse dans draaiend houden?
Laten we inderdaad eens ophouden met: cultuur raad hier en cultuur raad daar, die vindt het artistiek slap, “is er een doctor in de zaal “, “maffia “, noem maar op, we zijn met zijn allen toch kunstenaars met een passie, toch geen kleine kinderen. Laten we eens ophouden met dat gezeur over smaak, smaak is individueel!!!!!!!!! Laten we dat accepteren. En kijken wat ieder gezelschap individueel bijdraagt aan de dansontwikkeling in Nederland, of het nou vernieuwend is, publiek genereert, educatief goed bezig is, doorstroming creëert voor opkomend talent, artistiek geweldig is. Elk steentje draagt bij en geen een is belangrijker dan de ander.
Ik denk persoonlijk dat de subsidie criteria vanuit OCW versoepelt dient te worden, want naar mijn idee dragen zij mede schuld aan het uitblijven van de internationale vertegenwoordiging van Nederland.
K. Polak
Cao commissie dans/ helpdesk consulent plus FNV Kiem/ Bestuurder SOD/SFT.
Een reactie plaatsen
Links naar dit ding:
Een koppeling maken
<< Home